Iedereen is van de wereld (?) – Kant over de algemene gastvrijheid | kantwerken

kantwerken Iedereen is van de wereld (?) – Kant over de algemene gastvrijheid Posted on september 10, 2015 by andykerkhofs

“Iedereen is van de wereld, de wereld is van iedereen”, luidt een vrolijke en erg bekende kreet van de recent betreurde Thé Lau. Een kreet die 2 ogenschijnlijk evidente en triviale stellingen naar voor schuift. Ten eerste: alle mensen behoren de wereld toe, en dat wellicht niet enkel in de zin van het gebonden zijn aan de planeet ‘Aarde’, maar ook voor wat betreft het deel uitmaken van de specifiek menselijke leefwereld. Als levende wezens zijn we met noodzaak aangewezen op het domein van de planeet als context van ons bestaan. Als menselijke creaturen zijn we vrijwel met dezelfde noodzaak aangewezen op de ‘leefwereld’ die een product is van menselijke makkelij om volwaardig mens te kunnen zijn of worden. Ten tweede: die wereld behoort tegelijk ons allen toe. Dat wil zeggen: niemand heeft zo maar het recht om zich die wereld ten nadele van anderen persoonlijk toe te eigenen.

Hoe triviaal de gedachten besloten in deze meezinger ook mogen zijn, een enkele blik op discussies in een willekeurige krant van vandaag leert ons dat het delen van die wereld wellicht dé meest stroef verlopende politieke bezigheid is van onze tijd. Zelfs al worden die basisgedachten in theoretisch opzicht niet altijd per sé ontkend, het met iedereen deel uitmaken van de wereld lijkt lang niet altijd van harte te verlopen en stemmen die oproepen om dan toch minstens stukken van de wereld ‘niet van iedereen’ te laten zijn laten zich onmiskenbaar horen.

Voor m’n eerste blogpost hier leek het me dan ook passend om eens een blik te werpen op Kants notie van de ‘(algemene) gastvrijheid’ in diens “ Zum ewigen Frieden” uit 1795. Kant, van wie vaak herhaald wordt dat hij bij leven z’n geboortestad Königsberg (het hedendaagse Kaliningrad) vrijwel nooit heeft verlaten, staat terecht te boek als een kosmopolitisch denker. In zijn beknopte reflecties op de ‘(algemene) gastvrijheid’ uit het korte en opmerkelijk goed leesbare essay over de vrede vinden we één van de centrale passages uit zijn oeuvre die expliciet op deze thematiek in gaan. Voor het goed begrip zal ik kort de context waarbinnen we dit essay historisch en filosofisch moeten situeren en de algemene structuur ervan eerst schetsen. Vervolgens ga ik in op het ‘wereldburgerrechtelijke’ derde definitieve artikel omtrent de ‘(algemene) gastvrijheid’.

1. “ Zum ewigen Frieden ”: context

Vermoedelijk was de ‘vrede van Bazel’, het bestand tussen revolutionair Frankrijk en Pruisen van 1795 de onmiddellijke aanleiding voor Kant om dit essay te schrijven. In 1796 volgde al een 2e ietwat uitgebreidere druk, kort daarop werd de tekst ook in het Frans beschikbaar. Hoewel Kant nergens expliciet in gaat op de specifieke details van het verdrag van Bazel, lijkt dit werk dus – misschien ietwat ongebruikelijk – te zijn ingegeven vanuit de actualiteit van het moment waarop hij hem schreef.

De ‘eeuwige vrede’ was uiteraard al eerder onderwerp van filosofische reflectie geweest. Zo liet Abbé St-Pierre in 1712 al een tekst verschijnen met de titel “Projet pour rendre la paix perpétuelle en Europe” . Wie Kants ondertitel meeneemt – ‘Ein philosophischer Entwurf ’ -, die herkent bijna een letterlijke vertaling van St. Pierres werk.

2. “ Zum ewigen Frieden ”: structuur

De tekst laat zich onder verdelen in 3 grote delen. In zijn voorwoord benoemt Thomas Mertens deze als respectievelijk ‘quasi-juridisch’, ‘filosofisch’ (of ‘metafysisch’) en de discussie over de relatie tussen ethiek en politiek. De tekst imiteert de structuur van een echt vredesverdrag, met preambule, 6 preliminaire artikelen en 3 hoofdartikelen. Mogelijks kom ik op één of meerdere van deze artikelen in een volgende post nog nader terug, hier beperk ik me dus tot een loutere opsomming:

1) Preliminaire artikelen: 1. Geen enkel vredesverdrag mag als geldig beschouwd worden wanneer het gesloten wordt met een geheim voorbehoud dat de stof bevat voor een toekomstige oorlog; 2. Geen enkele op zich staande staat (of hij nu klein of groot is) behoort op grond van erfenis, ruil, koop of schenking door een andere staat verworven te kunnen worden; 3. Staande legers (‘miles perpetuus’) behoren mettertijd geheel te worden afgeschaft; 4. Er mogen geen staatsschulden worden gemaakt met betrekking tot de buitenlandse staatszaken; 5. Geen enkele staat mag zich met geweld mengen in de constitutie en regering van een andere staat; 6. Geen enkele staat mag zich tijdens de oorlog met een andere staat zodanige vijandelijkheden veroorloven dat daardoor het wederzijdse vertrouwen in de toekomstige vrede onmogelijk wordt […];

2) Definitieve artikelen:

1. De burgerlijke constitutie in elke staat behoort republikeins te zijn; [Kant doelt op de scheiding van wetgevende en uitvoerende macht, niet zo zeer op een representatieve democratie – AK] 2. Het volkenrecht behoort gebaseerd te zijn op een federalisme van vrije staten; 3. Het wereldburgerrecht behoort beperkt te zijn tot de voorwaarden van de algemene gastvrijheid;

Op de filosofische kwesties die Kant verder in de tekst behandelt kom ik tevens mogelijks later nog terug.

3. Het wereldburgerrecht: de (algemene) gastvrijhei d

“De wereld is van iedereen”, liet ik Thé Lau in de inleiding nog een keer zeggen. In het iets drogere taalgebruik van Immanuel Kant wordt dat:

“Omdat de aarde bolvormig is, kunnen mensen zich niet tot in het oneindige verspreiden maar moeten zij uiteindelijk toch elkaars nabijheid dulden, en niemand heeft oorspronkelijk meer recht om op een bepaalde plaats op aarde te zijn dan de ander.” ( “Naar de eeuwige vrede” , p. 79)

Het delen van de wereld wordt door Kant in verbinding gebracht met de banale vaststelling dat we op een bolvormige wereld niet eindeloos voor mekaar op de vlucht kunnen blijven. Op zich overtuigt dit argument misschien niet bijzonder sterk: de bol waarnaar wordt verwezen is immers wel voldoende groot opdat we behoorlijk wat afstand van mekaar kunnen houden, als we dat echt willen. Belangrijk lijkt me hier echter wel dat Kant wel degelijk ook vertrekt van een mens die niet zonder meer van harte de wereld met elk ander mens wil delen. Het kosmopolitisme van Kant is met andere woorden niet het product van een naïeve visie op de goedwillende mens die we aantreffen in kampvuur-liedjes. Mensen vallen mekaar niet vrolijk en gul in de armen maar, zo besluit Kant, ze zullen mekaar wel moeten dulden – moeten verdragen dus.

We herkennen hier nog de grondtrek van Kants ‘ungesellige Geselligkeit’, de ‘onmaatschappelijke maatschappelijkheid’ waarover hij in 1784 al had geschreven in het essay  “Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlichen Absicht” . Daar klonk het als volgt:

“De mens heeft een neiging tot het vormen van samenlevingen omdat hij zich binnen die context meer mens – wat de ontwikkeling van zijn natuurlijke vermogens is –voelt. Hij heeft echter ook een grote hang naar het zich afzonderen (isoleren) omdat hij tegelijk in zich de onsociale eigenschap aantreft om alles louter naar zijn eigen zin te willen richten. Daarom verwacht hij dan ook van alle zijden tegenstand, zoals hij van zichzelf weet dat hij tot tegenstand tegen anderen geneigd is.” (“ Idee zu einer allgemeinen Geschichte ”, 4e stelling – mijn vertaling)

We treffen bij Kant wel vaker een duaal beeld van de mens: het kleinste stofje onder de sterrenhemel en de grootste waardigheid vanuit de zedenwet ‘diep in mij’, restloos gedetermineerd als fenomenaal object maar principieel vrij in noumenaal opzicht, van nature tot het goede in staat maar gekenmerkt door een hang naar het kwade, … Ook de mens als sociaal wezen draagt bij hem een ogenschijnlijke paradox in zich: hij wordt maar eerst volledig mens in een sociale context, omringd door anderen maar tegelijk richt hij z kbkjddml. timberland schoenveters’n leven liefst volledig naar eigen goeddunken in, zonder die anderen daarin te moeten kennen. Dit ogenschijnlijk negatieve moment in de menselijke aard is overigens helemaal niet zonder verdienste voor Kant: het is net in verhouding tot de weerstand die hij vermeldt dat de mens zich opheft uit z’n luiheid en begint met het ontwikkelen van zijn vermogens en talenten. Zonder dit negatieve moment, zo Kant, zou het leven voor een mens weinig meer betekenis hebben dan voor de schapen die hij hoedt.

Uit de vaststelling dat mensen mekaar op een eindige wereld met noodzaak te dulden hebben, besluit Kant dan ook tot een ‘bezoekrecht’ en dit “krachtens het recht van het gemeenschappelijk bezit van het aardoppervlak” . Hoe moeten we nu deze notie ‘bezoekrecht’ precies begrijpen? Om hier klaarheid omtrent te scheppen zullen we Kant eerste aan het woord laten om te verduidelijken wat het – althans voor hem –niet is:

“De vreemdeling kan geen aanspraak maken op een gastrecht (daarvoor zou een apart welwillende verdrag vereist zijn dat hem voor een zekere tijd tot huisgenoot zou maken), maar op een bezoekrecht […]” (“ Naar de eeuwige vrede” , p. 78)

De verwijzing naar een ‘welwillend verdrag’ brengt ons terug bij Kants sociale contract theorie, waarop ik later nog graag terugkom. Het bezoekrecht van de vreemdeling lijkt in die zin dan ook niet zonder meer een opname in de samenleving als burger te impliceren. Men heeft, in gevolge het gemeenschappelijk bezit van de aarde, principieel het recht zich op te houden waar men dat wenst, maar daarom maakt men nog geen deel uit van de samenleving waar men zich als ‘vreemdeling’ aanbiedt. In dit onderscheid herkennen we als hedendaagse lezers van het vredesessay uiteraard de echo van talloze debatten die we ook vandaag nog horen telkens migratie onderwerp van discussie is. Niet enkel dringt zich de vraag op óf deze of gene persoon hier wel màg zijn, maar telkens worden we ook geconfronteerd met de vraag naar de kost – de vraag, beter gesteld, naar welke rechten we migranten wel dan niet willen toekennen. Kant zelf dacht echter in eerste instantie aan een iets andere problematiek, namelijk die van de koloniale politiek van Westerse landen tijdens zijn leven:

“Als men hiermee het ongastvrije gedrag van de beschaafde, voornamelijk handeldrijvende staten van ons werelddeel vergelijkt, dan is de onrechtvaardigheid die zij tentoonspreiden bij hun bezoek aan vreemde landen en volkeren (voor hen staat dat gelijk met veroveren) schrikbarend groot.” ( “Naar de eeuwige vrede” , p.79)

Hoewel we als hedendaags lezer uiteraard graag zouden weten hoe Kant precies binnen onze context zou denken over ‘rechten en plichten’ die gekoppeld zijn aan migratie, blijft een onomwonden antwoord enigszins uit. Dat heeft natuurlijk ook te maken met een aantal ingrijpende maatschappelijke evoluties die sinds Kants tijd onze samenlevingen en de rol van staten en burgerschap daarin drastisch hebben hertekend. Kant kon nog zonder al te veel controverse burgerschap wezenlijk beperken tot economisch onafhankelijke mannen, een notie die wij zowel omwille van haar elitarisme als haar seksisme resoluut afwijzen. Bovendien impliceert het burgerschap in de context van de late 18e eeuw helemaal niet hetzelfde soort rechten – denken we voor het gemak louter aan de sociale zekerheid – als wij vandaag minstens tot op zekere hoogte normaal achten. Tot slot valt ook te vermoeden dat de context, de omvang en de impact van migratie zoals wij die kennen nauwelijks valt te vergelijken met wat Kant en zijn tijd kenden. We riskeren met andere woorden een anachronistische vraag te stellen aan de tekst. Toch kunnen we misschien wel enkele contouren van wat Kants antwoord had kunnen zijn ontwaren:

1) Zoals reeds in vorige paragraaf aangehaald maakt Kant een nadrukkelijk onderscheid tussen gast- en bezoekrecht. Het valt toch enigszins te vermoeden dat hij naar analogie hiermee binnen onze actuele context een gelijkaardig onderscheid zou aanbrengen tussen ‘burgers’ en ‘bezoekers’;

2) Dat die bezoekers niet geheel rechteloos zijn blijkt ondubbelzinnig uit de openingszin van het 3e definitieve artikel:

“Net zo min als in de vorige artikelen is hier sprake van filantropie, maar van recht en aldus betekent gastvrijheid (nabuurschap) het recht van een vreemdeling om door een ander bij aankomst op diens grondgebied niet vijandelijk te worden behandeld.” (“ Naar de eeuwige vrede ”, p.78)

Gastvrij ontvangen worden is met andere woorden geen gunst dat door de gastgever wordt verstrekt, maar wordt door Kant wel degelijk begrepen als een (minimaal) recht waarop eenieder aanspraak kan maken. Dit brengt hem dan ook tot een stelling die we vandaag als het ‘beginsel van non-refoulement’:

“Die ander [‘een ander’ uit vorige citaat – AK] kan hem uitwijzen indien dat kan gebeuren zonder dat dit zijn ondergang veroorzaakt, maar hem niet vijandig bejegenen zolang deze [‘een vreemdeling’ uit vorig citaat – AK] zich tenminste ter plaatse vreedzaam gedraagt.” ( “Naar de eeuwige vrede” , p.78)

Niet enkel kent Kant ons allen het recht toe om als bezoekers gebruik te maken van ons gemeenschappelijk bezit van de wereld, hij voegt er nadrukkelijk ook het recht aan toe om niet te worden weggestuurd als zulks onze ondergang zou betekenen. Hoewel Kant in de tekst nergens nadrukkelijk in gaat op wat wij vandaag als de problematiek van oorlogsvluchtelingen kennen – in een tekst die nochtans nadrukkelijk over oorlog nadenkt -, vinden we hier toch een duidelijke aanwijzing van wat zijn positie ter zake zou kunnen geweest zijn. De pleidooien voor een ‘push back’ van (boot-) vluchtelingen lijken alvast haaks te staan op het principe dat hij hier in eenvoudige bewoordingen voorstaat. De bijzondere nadruk die Kant doorheen zijn gehele filosofie op de menselijke waardigheid legt maakt dat dit ons ook nauwelijks hoeft te verbazen. Roepen we daartoe bij wijze van illustratie nog een keer de 2e formulering van Kants categorische imperatief, het hoogste principe dat ons handelen volgens hem hoort te sturen,in herinnering:

“Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van eender wie anders altijd ook als doel, nooit louter als middel benut.” (“ Grundlegung zur Metaphysik der Sitten “, 429 – mijn vertaling)

We besluiten: het bezoekrecht dat Kant omschrijft lijkt geen pleidooi voor een ongebreidelde migratie die eenieder van ons zonder meer tot volwaardig burger van de gehele wereld maakt. Wel geeft het aan dat die wereld ons allen toebehoort en dat wij allen in functie daarvan recht hebben om er ons vrij op te begeven en hospitaliteit te verwachten van wie we daarbij aantreffen. Bovendien impliceert de hospitaliteit minstens een minimale bekommernis om ons welzijn: ze laat immers niet toe dat we worden weggezonden als dat voor ons dramatische gevolgen zou hebben.

Dat het wereldburgerschap, het kosmopolitisme, geen fantastische illusie maar wel degelijk een concrete dimensie kent, was voor de Kant van 1795 al erg duidelijk:

“Het is nu met de toename van de (engere of ruimere) gemeenschap onder de volkeren van de aarde zo ver gekomen dat de schending van het recht op één plaats van de aarde overal gevoeld wordt.” (“ Naar de eeuwige vrede ”, p.81)

Hoeveel meer moet deze gedachte in onze tijd van digitale media en online instant communicatie niet van toepassing zijn?

4. Besluit

Eerder gaf ik al aan dat we in Kants mensbeeld vaak een dualiteit aantreffen, die door hem doorgaans als dualiteit wordt erkend en niet beslecht ten voordele van één van beide polen. Zeker voor ons, 21ste-eeuwers, lijkt ook ‘kosmopolitisch’ thuis te horen in dat rijtje dualiteiten eigen aan onze hedendaagse conditie. ‘Kosmos’en ‘polis’, de sfeer van de grote uitgebreide wereld versus de sfeer van het eigene en vertrouwde – in zijn “Politka” beperkt Aristoteles de ideale polis tot 10.000 vrije burgers zodat eenieder, althans theoretisch, de kans heeft om iedereen anders te leren kennen. Die wereld is in onze tijd vrijwel dagelijks bij ons aanwezig: ze kleurt de straten en pleinen van onze steden, ze omringt ons met goederen die van heinde en verre komen en ze domineert vaak de pagina’s van onze kranten. Al is het misschien tegen heug en meug: de pluraliteit die in de wereld huist zal allicht overheen de duur van ons bestaan enkel steeds meer ook in ons eigen leven huizen. Daartegenover staat de zoektocht naar behoud van wat vertrouwd is, van de kleine eigen wereld die altijd al het raampje was van waaruit we op die grote wereld keken. Die nood aan eigenheid vinden we ook enigszins terug bij Kant in het 2e definitieve artikel, waar hij het idee van een ‘volkenstaat’ waarin de hele wereldbevolking tot het volk van 1 staat zou worden, afwijst. Maar dit gegeven doet uiteraard geen afbreuk aan het bezoekrecht dat we hoger bespraken. In tegendeel: het helpt het net mee definiëren.

We zien op vandaag dat het streven naar behoud van eigenheid zich al eens negatief vertaalt naar het afwijzen van de rechten die Kant ‘de vreemdeling’ met enige nadruk toeschrijft. Hoewel we daarbij niet uit het oog mogen verliezen dat de migratie-problematiek van vandaag van wezenlijk andere aard en orde is dan wat Kant ooit kan gekend hebben, lijkt het mij toch dat zijn grondhouding ter zake een blijvend belang heeft. Als we de Verlichting, toch vaak geprezen als cruciaal moment in de ontwikkeling van de Europese cultuur, recht willen doen dan lijkt het mij ook dat we er goed aan doen om het uitgesproken belang op de menselijke waardigheid dat de ondertoon is van Kants denken niet uit het oog te verliezen.

5. Bibliografie • Voor een goede Nederlandse vertaling van “Zum ewigen Frieden”, voorzien van voorwoord en annotaties raad ik de vertaling die Thomas Mertens voor Uitgevrij Boom verzorgde aan: https://www.boomfilosofie.nl/product/172/Naar-de-eeuwige-vrede • Wie er graag de originele Duitse tekst naast legt kan die voor bijna geen geld kopen in een typische pocket-uitgave bij Reklam Verlag: http://www.amazon.de/Zum-ewigen-Frieden-philosophischer-Entwurf/dp/3150015014 • En wie echt niet kan wachten kan ook op het internet terecht: http://www.gutenberg.org/ebooks/46873 (Duits) – https://slought.org/media/files/perpetual_peace.pdf (Engels) • De tekst “Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Abischt“ kan u hier terugvinden:http://gutenberg.spiegel.de/buch/idee-zu-einer-allgemeinen-geschichte-in-weltburgerlicher-absicht-3506/1

Advertenties Delen: Twitter Facebook Google Vind ik leuk: Like Laden… Navigatie door berichten Hallo wereld! Kant in de cultuur Geef een reactie Reactie annuleren
iedereen is van de wereld

De mannen van 6 cm een timberland laars
miss linares twitter
roze laarzen maat 40 Join Log in Host videos Compare plans Professionals Businesses Video School Watch Staff Picks Categories Channels Groups On Demand What’s new Discover Genres TV + Series Start selling Upload Watch Upload Host videos Join or log in Help More stuff Terms of Service Privacy Policy Copyright Cookies Desktop site Language English Español Deutsch Français 日本語 Português 한국어 FAQ TM + © 2017 Vimeo, Inc. × Watch in our app Open in app

Yoors Yoors Marizzzje Mama 33 Levensgenieter Plaats in mijn Smart Social wachtrij Voor iedereen Wereld Help elkaar 07-06-2017 Reageer Reageer
Reviews en Reacties: 5.0 / 5 ( 1 reviews) _PetitCorbeau_ 5 Heel mooi gezegd 07-06-2017 | 17:22 | Reageer × Yoors Verdien met delen, posten en reacties.
Inkomsten worden eerlijk verdeeld.
Word nu ook gratis lid en deel mee.
  Schrijf je in via Facebook Word gratis lid
Log in
Wachtwoord vergeten Log in met Facebook Log in
Schrijf je nu in
Wachtwoord vergeten Reset wachtwoord
Log in
Schrijf je nu in Contactformulier